My MSD
Animal Health

Kies uw diersoorten (min. 1)

Parvovirus - Hond

Caniene parvovirus is een virus die aanleiding geeft tot een zeer besmettelijke systemische ziekte, vooral bij pups tussen 6 weken en 6 maand oud.

De voornaamste symptomen zijn waterige diarree, braken en algemeen ziek zijn. De sterftegraad is erg hoog, vooral bij pups. Daarnaast wordt ook het immuunsysteem aangetast, waardoor de hond vatbaarder wordt voor heel wat infecties.

De vermoedelijke diagnose wordt bij een niet-gevaccineerde hond gesteld door de symptomen in combinatie met leukopenie. Om de diagnose te bevestigen kunnen antigenen van het parvovirus worden opgespoord.

Om een aangetast dier te proberen genezen moet een intensieve symptomatische en ondersteunende behandeling worden ingesteld. Ter preventie van de ziekte wordt gevaccineerd.

Oorzaak en voorkomen

Het caniene parvovirus is een zeer besmettelijk DNA-virus dat genetisch nauw verwant is met het feliene panleukemievirus. Parvovirus is bovendien zeer resistent in de omgeving. Het kan maanden tot jaren buiten de gastheer overleven en is resistent tegen de meeste ontsmettingsmiddelen (met uitzondering van middelen op basis van chloor).

In ons land komen verschillende virustypes voor: CPV-2a, CPV-2b en CPV-2c. Daarnaast is er ook nog CPV-2d, type dat aanleiding geeft tot een zeer ernstige vorm van parvovirose maar die hier gelukkig nog maar weinig werd gezien.

Het virus geeft voornamelijk problemen bij pups tussen de 6 weken en 6 maanden (ten gevolge van afname maternale immuniteit terwijl de immuniteitsopbouw na vaccinatie nog in gang is). Oudere dieren met een verzwakte immuniteit of die niet werden gevaccineerd lopen echter ook risico. Het caniene parvovirus tast alle hondenrassen aan en kan ook asymptomatisch voorkomen in andere dieren, zoals katten, fretten en nertsen, die dus als reservoir kunnen fungeren.

Ziekteverloop

Honden lopen de ziekte voornamelijk op door in contact te komen met faeces van een besmet of recent hersteld dier. Daarnaast wordt het virus ook via het braaksel, het speeksel en de urine van besmette honden verspreid. Doordat het virus zo resistent is in de omgeving, kan het ook via allerhande voorwerpen en kledij worden verspreid en overgedragen.

In eerste instantie gebeurt de virusvermeerdering in het lymfoïde weefsel van de oropharynx. Vervolgens spreidt het via het bloed naar andere delen van het lichaam. Het parvovirus deelt in sneldelende cellen, zoals die van het darmepitheel, thymus, lymfeknopen en het beenmerg. Hierdoor ontstaan erge gastro-intestinale symptomen en panleukemie.

De virusuitscheiding gebeurt gewoonlijk nog voor de eerste symptomen optreden en houdt aan tot een tiental dagen na herstel.

Symptomen

De incubatieperiode van parvovirus is gewoonlijk tussen de 5 dagen en een week. De eerste symptomen van parvovirose zijn lusteloosheid, verlies van eetlust en hoge koorts.

Kort daarna treden de gastro-intestinale symptomen op. Eerst gaat het dier braken (soms met bloed), daarna volgt erge, waterige dunnedarmdiarree (vaak met bloed). De hond raakt zeer snel gedehydrateerd.

Diagnose

Meestal is er al een sterk vermoeden indien een jong, niet gevaccineerd dier klinische tekenen toont van parvovirus infectie. Daarnaast geeft het aspect van de faeces een goeie indicatie. Vooral de geur ervan is erg karakteristiek voor parvovirus.

Op bloedonderzoek is in geval van parvovirus vrijwel steeds leukopenie aanwezig, met vooral een tekort aan lymfocyten en neutrofielen. Daarnaast kunnen ook heel wat elektrolietenafwijkingen, hypoalbuminemie en hypoglycemie worden gezien.

Om de diagnose te bevestigen kan serologie worden uitgevoerd. Er zijn ELISA testen beschikbaar die antigenen van het virus opsporen in faeces. Deze testen zijn vrij gevoelig en specifiek. Er zijn ook testen die antistoffen aantonen, maar die zijn veel minder relevant aangezien de dieren vaak sterven nog voor het vormen van antistoffen.

Daarnaast kan via virusisolatie of PCR het virus of het viraal DNA worden aangetoond.

Op autopsie kan ook een definitieve post-mortem diagnose van parvovirose worden gesteld op basis van de karakteristieke letsels en histopathologisch onderzoek.

Behandeling en controle

Behandeling

Een etiologische behandeling is er niet. Het doel van de behandeling is om de vocht- en elektrolietenbalans te herstellen, metabole afwijkingen te corrigeren en secundaire infecties een halt toe te roepen.

Voor de beste kans op herstel wordt de hond direct gehospitaliseerd en intensief behandeld met een goede monitoring. Gezien de besmettelijke aard van parvovirose moet het dier apart worden gehospitaliseerd en moeten hygiënische maatregelen worden genomen om het virus niet over te dragen aan andere dieren.

Om de dehydratatie ten gevolge van braken en therapie te herstellen moet worden overgegaan tot intensieve vloeistoftherapie (samen met toediening van anti-emetica). Daarnaast kan bloedonderzoek helpen om afwijkingen op te sporen en te corrigeren (hypokalemie, hypoglycemie, hypoproteïnemie, anemie). Over het algemeen wordt intraveneus een isotone oplossing zoals ringerlactaat toegediend, eventueel aangevuld met 5% glucose.

Het helpt ook om een plasmatransfusie te doen. Dit helpt de oncotische druk op peil te houden en voorziet het lichaam van stollingsfactoren.

Tot slot wordt ook een breedspectrum antibioticumkuur opgestart om opportunistische ziekteverwekkers tegen te gaan. Honden met parvovirose hebben immers een sterk verzwakte immuniteit.

Preventie

Om parvovirus bij honden te voorkomen is het belangrijk om te vaccineren.

Pups die afkomstig zijn van moederdieren die werden gevaccineerd, krijgen antistoffen van hun moederdier. Wanneer de antistoffen dalen wordt de pup terug gevoelig aan parvovirus. Daarom is het belangrijk om tijdens deze periode meerdere keren te vaccineren. Op de leeftijd van 1 jaar wordt het eerste herhalingsvaccin gegeven. Daarna wordt nog om de 2 à 3 jaar opnieuw gevaccineerd.