My MSD
Animal Health

Kies uw diersoorten (min. 1)

Leptospirose

Leptospirose is een zoönotische aandoening die kan worden opgelopen door de meeste zoogdieren en bovendien wereldwijd voorkomt. Klinische leptospirose komt frequent voor bij de hond, in tegenstelling tot bij de kat. Beide diersoorten kunnen echter asymptomatisch leptospiren uitscheiden via de urine, wat een risico inhoudt voor de eigenaars.

Leptospirose wordt veroorzaakt door spirocheten die behoren tot het genus Leptospira. De indeling van leptospiren is vrij ingewikkeld, aangezien er zowel een genetische als een serologische indeling is, die niet volledig met elkaar is gecorreleerd. In de praktijk onderverdelen we leptospiren meestal op basis van serogroep (groep van antigenisch verwante serovars), aangezien de diagnostische testen en vaccins serogroep-specifiek zijn.

Het symptomenbeeld dat door leptospirose wordt veroorzaakt is afhankelijk van verschillende factoren, maar is vaak aspecifiek. In elk geval moet aan leptospirose worden gedacht in geval van acute nierinsufficiëntie, onverklaarbare koorts of onverklaarde uveïtis. Diagnose gebeurt het best op basis van de klinische symptomen gekoppeld aan labotesten. De MAT (microscopische agglutinatietest) is de gouden standaard en hiervoor dienen gepaarde sera genomen te worden. Bij deze test worden aan de hand van agglutinatie van leptospiren antistoffen in het serum worden aangetoond. Dit kan worden aangevuld met een PCR.

De beste manier om leptospirose te voorkomen is om risicodieren te vaccineren.

Oorzaak en voorkomen

Leptospiren zijn spirocheten (dunne, spiraalvormige bacteriën) die behoren tot het genus Leptospira. Leptospiren van dit genus zijn herkenbaar door hun karakteristieke haak-uiteinden (zie figuur 1).

Oorspronkelijk werden deze bacteriën onderverdeeld op basis van de serologische detectie van bepaalde lipopolysacchariden. Dit heeft geleid tot de identificatie van meer dan 250 pathologische serovars, onderverdeeld in 24 serogroepen (gebaseerd op antigenische relatie).

Met de opkomst van de genetische methodes is men erin geslaagd de leptospiren in 20 species onder te verdelen. Dit heeft tot een verwarrende situatie geleid, aangezien leptospiren binnen een bepaalde serogroep niet altijd allemaal tot hetzelfde species behoren. In de praktijk wordt echter vooral naar de serogroepen verwezen, aangezien de diagnostische testen serogroep-specifiek zijn.

Elektronenmicroscopisch beeld leptospiren
Figuur 1: Elektronenmicroscopisch beeld van Leptospira interrogans

Leptospirose is wereldwijd één van de meest voorkomende zoönose en wint de laatste jaren aan belang. Risicoberoepen zijn rioolwerkers, tuiniers, veehouders, landbouwers, bouwvakkers en militairen.

Oorspronkelijk waren in onze streken vooral enkele serovars uit de serogroep Canicola en Icterohaemorrhagiae van belang voor besmetting van honden, maar de laatste jaren worden progressief meer andere serovars uit andere serogroepen aangetroffen, vooral uit serogroep Australis en Grippotyphosa (zie figuur 2).

Deze bacteriën worden in stand gehouden door de kolonisatie van heel wat reservoir-gastheren, zowel bij wilde als bij gedomesticeerde dieren. De voornaamste reservoirs voor deze ziekteverwekkers zijn knaagdieren, maar soms ook runderen (melkerskoorts), varkens, paarden, honden, katten en bepaalde wilde dieren. Deze dragers zijn symptoomloos en besmetten dus de omgeving door leptospiren uit te scheiden.

Prevalentie leptospiren België
Figuur 2: Relatieve prevalentie van de belangrijkste leptospirose serogroepen in België (uit MSD Animal Health Ireland, Leptospirosis in dogs).

Ziekteverloop

Leptospiren worden verspreid via de urine van besmette dieren die terecht komt in water of ondergrond en daar gedurende weken tot maanden kan overleven. Op temperaturen rond de 18°C slagen deze bacteriën er het best in om te overleven. Vandaar dat hier de meeste besmettingen zich voordoen tijdens de warmste maanden van het jaar.

De transmissie van leptospirose kan zowel gebeuren door direct contact, seksueel contact, transplacentale overdracht, bijtwonden of opname van besmet vlees. In het grootste deel van de gevallen komen de leptospiren de gastheer echter binnen via indirect contact, gewoonlijk doordat urine van knaagdieren in water terecht komt, en zo de huid (wondjes of verweekte huid ten gevolge van water) of de mucosae (ogen, neus, mond) binnenkomt. De bacteriën kunnen ook per os worden opgenomen door besmet water te drinken.

Eens een hond is besmet, zullen de leptospiren via het bloed naar verschillende organen verspreiden en zich daar vermenigvuldigen (leptospiremie). De eerste symptomen worden gewoonlijk gezien tussen de 5 en 14 dagen na opname. Deze hangen af van de virulentie van de leptospiren en van de infectiedruk, maar ook in grote mate van de antistoftiters van de gastheer (zie figuur 3). Dit benadrukt het belang van vaccinatie ter preventie van ziekte.

In elk geval worden de nieren gekoloniseerd en persisteren de leptospiren in de epitheelcellen van de niertubuli. De mate waarin functioneel nierweefsel overblijft bepaalt de overlevingskansen van de gastheer.

Via de urine worden de leptospiren terug vrijgegeven in de omgeving. Honden die herstellen van leptospirose kunnen de bacteriën nog voor maanden tot jaren intermitterend in de omgeving uitscheiden.

Pathogenese van leptospirose
Figuur 3: Pathogenese van leptospirose (uit Greene CE, Miller MA, Brown CA: Leptospirosis, in Greene CE [ed]: Infectious Diseases of the Dog and Cat. Philadelphia, WB Saunders, 1990, p 500).

Symptomen

Eerst en vooral is het belangrijk dat leptospirose vaak een vaag en aspecifiek symptomenbeeld geeft. De symptomen hangen daarnaast ook af van de pathogeniciteit van de serovar waarmee het dier is besmet, de leeftijd en immuniteitsstatus van de gastheer en de omgeving waarin de leptospiren zich bevonden. Bijgevolg wordt de diagnose van leptospirose vaak niet of te laat gesteld.

In het ergste geval is het ziekteverloop bij honden peracuut, waarbij in eerste instantie algemene symptomen zoals koorts, rillen en spiergevoeligheid worden gezien. Daarna treden braken, dehydratatie en perifere vasculaire collaps (stilstaan van het bloed in de periferie). De dieren sterven gewoonlijk nog voor de nier- en leverproblemen zich kunnen ontwikkelen.

In de meeste gevallen is het verloop van de ziekte iets minder drastisch. De eerste symptomen treden op na 5-7 dagen; er wordt koorts, anorexie, braken en erge dehydratatie gezien. Daarna evolueren de symptomen in functie van het aangetaste orgaan. Vaak wordt het ziektebeeld uiteindelijk chronisch.

Niercelbeschadiging:

  • Acuut nierfalen: oligurie tot anurie (met erg donkere urine);
  • Haemoglobinurie (roodgekleurde urine);
  • Indien het dier overleeft kan de nierfunctie normaliseren na 2-3 weken, ofwel kan het dier chronische nierinsufficiëntie met polyurie ontwikkelen.

Levercelbeschadiging:

  • Geelzucht (hepatische icterus), anorexie, gewichtsverlies, ascites ten gevolge van de hepatitis;
  • Intrahepatische cholestase, waardoor vetten niet meer verteerd worden, waardoor steatorrhee / grijze faeces.

Invaginatie van de darm :

  • Aanhoudend braken;
  • Vers bloed in de faeces of donkerverkleuring van de stoelgang (melena).

Longen (wordt de laatste jaren vaker gezien):

  • Dyspnee;
  • Hoesten (al dan niet met ophoesten van bloed);
  • Gaat vaak gepaard met conjunctivitis, rhinitis en tonsillitis.

Myositis:

  • Trillende spieren.

Uveïtis

Diagnose

Om onderdiagnostisering te voorkomen, moet als een hond zich aanbiedt met acute nierinsufficiëntie, acute hepatopathie met of zonder geelzucht, onverklaarbare koorts of onverklaarde uveïtis altijd onderzoek naar leptospirose gebeuren. De meest geschikte techniek voor de diagnose van leptospirose is MAT (microscopische agglutinatietest; aantonen van antistoffen tegen leptospiren), eventueel aangevuld met PCR (aantonen van leptospiren-DNA).

Vaak wordt vanaf vrij vroeg haemoglobinurie gezien, later mogelijks ook optreden van geelzucht (zie symptomen);

Daarnaast kunnen nog vele symptomen worden gezien, maar deze zijn gelijkaardig aan die van andere infectieziektes.

  • Afwijkingen in leukocyten (leukopenie / leukocytose met linksverschuiving),
  • Thrombocytopenie,
  • Anemie (meestal mild),
  • Afwijkingen in elektrolietenbalans,
  • Indicatoren van nier- en leverschade.
  • Verhoogde ureum- en creatininespiegel,
  • Verhoogde ALT, AST, ALP en hyperbilirubinemie.

MAT (microscopische agglutinatietest): Hierbij worden verdunningsreeksen gemaakt van serum van de patiënt, waarbij wordt nagegaan of agglutinatie optreedt van leptospiren. Op deze manier kan worden bepaald of en met welke serogroep de hond in contact is gekomen. De beste manier om een hond te diagnosticeren is om te werken met gepaarde sera: twee bloedstalen met 2 à 3 weken interval. Wanneer het testresultaat minstens 4 keer hoger ligt bij de tweede test, of wanneer na een negatief resultaat een titer van 800 of hoger wordt gezien, is de kans dat de hond leptospirose heeft erg hoog.

Voordeel: Indien wordt gewerkt met gepaarde sera is de gevoeligheid en en de specificiteit zeer goed.

Nadeel: Indien de hond werd gevaccineerd kunnen post-vaccinale titers worden gezien (vals-positief).

ELISA: is een nuttige techniek aangezien dit snel en eenvoudig in de praktijk kan gebeuren. Er zijn echter enkele nadelen aan verbonden die de gevoeligheid van deze test ondermijnen:

Nadelen:

  • Moet eveneens worden herhaald om een vals-negatief resultaat in de acute fase van de infectie te vermijden,
  • Er wordt hoe dan ook slechts een beperkt aantal serogroepen getest, waardoor de kans op vals negatieve resultaten vrij reëel blijft.

PCR voor de detectie van DNA van leptospiren in bloed en urine. Bloed zal al positief testen in het vroege stadium van infectie, urine wordt gewoonlijk positief tussen dag 7 en 14.

Voordeel: Het resultaat van de test wordt niet beïnvloed door vaccinatiestatus van het dier, waardoor het een ideale aanvulling is op een positief resultaat met MAT.

Nadelen:

  • Er is nog meer onderzoek nodig naar de sensitiviteit en specificiteit van de beschikbare PCR-testen,
  • Niet alle testen bij alle labo’s zijn gevalideerd.

Post-mortemonderzoek kan uitwijzen of het dier al dan niet aan leptospirose is gestorven. Enkele vaak voorkomende bevindingen zijn:

  • Geelzucht,
  • Petechiën of haemorrhagische letsels op verschillende organen, pleura of peritoneum,
  • Vergrote lever (lobulair patroon, geelbruine verkleuring) of nieren (witte foci),
  • Zware of verkleurde longen.

Behandeling en preventie

Honden met acute leptospirose moeten zo snel mogelijk een veelzijdige behandeling krijgen om de kans op herstel te optimaliseren. Bij mildere gevallen is het voldoende om symptomatisch te behandelen, maar de dieren moeten desalniettemin goed opgevolgd worden op de ontwikkeling van geelzucht. Om de ziekte te voorkomen kan worden gevaccineerd met een combinatievaccin of kunnen risicosituaties worden vermeden.

Behandeling:

Antibiotica: Honden met leptospirose moeten onmiddellijk worden behandeld met doxycycline gedurende 2 weken. De therapie kan al gestart worden voor de definitieve diagnose is gesteld. Dit is vooral belangrijk om te verhinderen dat het dier langdurig drager blijft. Indien de toestand van het dier dit niet toelaat kan initieel worden behandeld met andere antibiotica (vaak parenteraal) om de leptospiremie tegen te gaan, daarna kan worden verdergegaan met doxycycline (zie behandeladvies AMCRA).

Rehydratatie: aangetaste dieren zijn vaak sterk gedehydrateerd en hebben intensieve vochttherapie nodig.

Ondersteunende behandeling voor de aangetaste organen;

Middelen tegen diarree, braken, NSAIDs indien nodig.

Preventie:

Vaccinatie is een belangrijke preventieve maatregel voor honden die verhoogd risico lopen:

  • Immuniteitsopbouw tegen leptospirose is grotendeels humoraal en is serogroep-specifiek,
  • Vroeger werd enkel gevaccineerd tegen serogroepen Canicola en Icterohaemorrhagiae, tegenwoordig is dit niet meer voldoende aangezien de infecties in de meeste gevallen door andere serogroepen (Australis en Grippotyphosa) worden veroorzaakt. Gelukkig zijn er tegenwoordig combinatievaccins beschikbaar die bescherming bieden tegen deze nieuwe serogroepen.
  • Basisvaccin bestaat uit 2 toedieningen van geïnactiveerd vaccin met 3 à 4 weken interval. Sommige van deze vaccins bevatten adjuvantia, andere niet.
  • Een jaarlijk boostervaccin is noodzakelijk om voldoende bescherming te bieden.

Daarnaast kunnen bepaalde risicosituaties trachten te worden beperkt:

  • Toegang tot stilstaande waterbronnen,
  • Contact met reservoirdieren, zoals wilde knaagdieren.

Het is echter belangrijk in te zien dat leptospirose ook wordt gezien bij dieren die in een stadsomgeving leven, die geen historiek hebben van contact met wilde dieren of waterbronnen.